De andere kant van de Tweede Wereldoorlog.

Over het Duitse verzet vanaf 1933 tot 1945.

– Adam Trott zu Solz – de bruggenbouwer tegen beter weten in.

Adam Trott zu Solz – 9 Augustus 1909 – 26 Augustus 1944

 

 

 

 

 

 

 

Iedereen, die Adam Trott heeft gekend, was het er over eens: hij was een zeer innemende, hardwerkende man. “Met opmerkelijke ogen”, volgens Maria Wassiltchikoff, één van Trotts medewerkers, “en ook was hij een vurig patriot, zoals vele weerstandsstrijders destijds waren.” Adam Trott stond bekend als de architect van het buitenlandse beleid van het Duitse Verzet. Hij was lid van Kring Kreisau, maar feitelijk beschikte hij over vele contacten binnen het Duitse verzet, maar ook voor het Nederlandse verzet was hij geen onbekende. Hij stond bekend als de man, die in staat was om tijdens gesprekken het beste uit zijn gesprekpartners te halen, omdat hij de eigenschap bezat om er altijd vanuit te gaan dat hij een intelligent antwoord op zijn vragen kreeg. Adam Trott zu Solz was echt gedreven wanneer het ging om het verzet. Als geen ander wist hij het Duitse verzet ook onder de aandacht te brengen van de geallieerden, zowel vooraanstaande Engelsen als vooraanstaande Amerikanen had hij geattendeerd op het bestaan van de Duitse oppositie en haar behoeften. In 1940 uitte hij bij zijn terugkeer naar Duitsland dan ook zijn bittere teleurstelling, toen hij bemerkte dat het verzet zelf zo weinig vooruitgang had geboekt tijdens zijn afwezigheid.

Aanloop tot verzet

Adam Trott zu Solz werd geboren in een oud aristocratisch geslacht. De Trotts waren van oorsprong Hessische adel. Een adellijke tak, die later samensmolt met de Pruisische adel. Vele leden van de familie waren politici of diplomaten, August Trott zu Solz, Adams vader, was de Pruisische Minister van Cultuur. Adams moeder Eleonore von Schweinitz was afkomstig uit de Pruisische adel en ook binnen de familie van moeders kant speelden deze beide beroepen een belangrijke rol. Via haar moeder was Eleonore een rechtstreekse afstammeling van John Jay, het eerste hoofd Justitie van Amerika. Zijn moeder hield Adam altijd met trots voor dat haar voorouders strijders tegen de slavernij waren. Zo ontwikkelde Adam vanaf zijn prille jeugd een onverzettelijke inzet voor de rechten en waardig van mensen.

Tijdens zijn jeugd woonde Adam bij pastoor Jäger. Als 12-jarige onthield hij zich niet van scherpe kritiek op het sterk conservatieve christendom. Aangezien zijn moeder over contacten met sociale en kerkelijke organisaties beschikte kon Adam daardoor in 1927 deelnemen aan een internationale conferentie, die als thema christelijke opvoeding had. Na een semester in München te zijn geweest, keerde hij terug naar zijn geboortestreek, waar hij naar de Georg-August-Universität in Göttingen ging. Daar raakte hij bevriend met Fritz-Dietlof von Schulenburg, een latere mede-weerstandsstrijder. Op uitnodiging van Tracy Strong van de wereldorganisatie YMCA bracht hij de zomervakantie van 1928 door in Genève, waar hij optrok met jongeren uit de hele wereld en ongestoord kon debatteren over de wereldvrede. Tegelijkertijd leerde hij de dominee Willem Visser ’t Hoofd kennen. Visser ’t Hoofd was de eerste secretaris van de Wereldraad van Kerken en was spil van het Nederlandse verzet. Tijdens de oorlogsjaren had hij regelmatig contact met het verzet, onder andere met Dietrich Bonhoeffer.

Steeds meer kreeg de jonge Adam belangstelling voor internationale vraagstukken en in 1929 diende zich een nieuwe mogelijkheid zich aan om deel te nemen aan een christelijke conferentie, deze keer in Liverpool. Daar ontmoette hij de rector van het Oxford Mansfield Colleges, die hem voor een korte studieperiode op Oxford uitnodigde. Deze uitnodiging stelde hem in de gelegenheid om ook in Groot-Brittannië snel nieuwe vriendschappen te sluiten. In deze periode in Oxford maakte Adam van de gelegenheid gebruik om in Duitsland te wisselen van universiteit. Hij schreef zich in aan Friedrich-Wilhelms-Universität te Berlijn. Al vrij snel kwam hij in aanraking met de socialistische groepen van Berlijn. Hij had aandacht voor het lijden van de wereld, interesse in Russische literatuur en extreem linkse politieke ideeën, die hij opzij zette gedurende zijn bezoeken aan de Berlijnse salons.

 

 

 

 

 

 

 

 

Uitbreiding van zijn contacten

Aan het eind van zijn studie brak voor Adam een periode van reizen aan. Dat begon met de verwerving van de felbegeerde Rhodes-stipendium voor studie in Oxford. Aanbevelingsbrieven voor hem waren onder andere geschreven door Professor Kraus en Albrecht Graf von Bernstorff, die op dat moment werkzaam was op de Duitse ambassade in Londen. Ook Bernstorff zou zich later aansluiten bij het verzet. Net als Trott zou hij lid worden van Kring Kreisau. In Londen werd Trott lid van de socialistische Labourclub en kwam hij in contact met afgevaardigden van het Lagerhuis ( House of Commons, de Engelse Tweede Kamer). Een goede vriend werd ook Dean Rusk, de latere minister van Buitenlandse Zaken voor Amerika. Met hem bezocht hij talrijke seminaries. Het waren dit soort contacten, waar Trott later nog veel gebruik van zou maken.

In 1937 begon Trott aan zijn reis om de wereld, het bracht hem naar Amerika, Canada, China, Manchurije en Japan. Tijdens zijn verblijf in Amerika breidde hij zijn vriendschapsbanden aanzienlijk uit. In China bestudeerde hij de Chinese staatsfilosofie en van daar uit ondernam hij drie grote reizen.

Adam von Trott wist in de loop van de jaren steeds meer contacten op te bouwen. Zo ontmoette hij in 1939 met minister-president Neville Chamberlain. Doch Chamberlain hield het voor onmogelijk om Hitler’s expansiedrift een halt toe te roepen. Trott was niet de enige weerstandsstrijder, die zich in dat jaar ophield in Londen om met de Engelse regering te praten. Andere bezoekers waren Helmuth James von Moltke, Carl Friedrich Goerdeler en Ewald von Kleist-Schwerin. Niemand hoefde echter op begrip van de Britten te rekenen. In 1941 zou Churchill zelfs de opdracht gegeven niet in te gaan op vredesinitiatieven: “Onze reactie op dergelijke verzoeken of voorstellen hoort een absoluut stilzwijgen te zijn…” Deze muur van wantrouwen en vijandigheid hadden Adam Trott en zijn vrienden van het antinaziverzet voortdurend getracht wanhopig door te breken.

Nadat hij het Auswärtiges Amt (Buitenlandse zaken) overtuigd had voor het nut van zijn reis, vertrok Trott opnieuw naar Amerika. Vanaf het moment van aankomst werd Trott door de FBI in de gaten gehouden, omdat zij hem zag als een Nazi-agent. Samen met mensen uit de socialistische kring Berlijn, die inmiddels geëmigreerd waren naar Amerika schreef hij een memorandum voor president Roosevelt, waarin Amerika zich zou verplichten om bij een aanslag op Hitler niet over te gaan tot een invasie van Duitsland, maar juist de nieuwe regering te ondersteunen. Ondanks dat vrienden in zowel Amerika als Groot-Britannië hem waarschuwden om niet terug te keren naar Duitsland, omdat zijn leven in gevaar was, keerde Adam von Trott zu Solz, inmiddels door geelzucht geveld, toch terug naar zijn vaderland om actief het verzet te gaan leiden.

In verzet

Trott zu Solz was bijna dwangmatig bezig met de politiek en hij zocht naar wegen om zijn activiteiten uit te breiden. Tegelijk wilde hij het liefst ook een goede dekmantel en dat kon alleen wanneer hij zich ten dienste stelde van het nationaalsocialistische systeem. Na zijn huwelijk met Clarita Tieffenbach in 1940 nam hij de baan aan als wetenschappelijke medewerker bij het Auswärtiges Amt (Buitenlandse Zaken). Binnen dit Amt was een actieve antinazigroep ontstaan rondom twee oudere ambtenaren, de broers Erich en Theodor Kordt. Een jaar later werd hij noodgedwongen en tegen zijn diepste overtuiging in lid van de NSDAP. Dat was noodzakelijk om zijn dubbelspel voort te kunnen blijven zetten zonder argwaan te wekken. Trott ging werken op de afdeling Informatie en leerde zo Subhash Chandra Bose kennen, die in 1941 was gevlucht uit India. Samen met de Indische onafhankelijkheidsbeweging wilde hij zich inzetten voor afzwakking van de Britse macht in Zuid-Azië en daartoe zocht hij steun bij de nationaalsocialisten. In tegenstelling tot Nehru en Gandhi koos Bose voor een gewelddadige oplossing. In Berlijn werd een Indienbüro op gericht- een onderafdeling van Informatie- waarvan Trott de leider werd. Hij mocht zelf medewerkers aanstellen en zo was hij in staat om Joodse vrienden voor deportatie te redden en tevens zijn contacten voor de oppositie verder uitbreiden. Op deze manier leerde hij Julius Leber kennen, de leider van de linkse weerstand, en Hans Bernd von Haeften en zijn vrouw. In het voorjaar van 1941 kwam Trott via zijn vriend von Haeften in aanraking met leden van Kring Kreisau. Met het echtpaar Bielenberg ontmoette Trott Peter en Marion von Yorck, wiens huis in Berlin-Lichterfelde al snel tot hoofdkwartier werd van het verzet. Daarmee was zijn band met Kring Kreisau een feit. Vanaf dat moment ging Adam von Trott vanwege zijn contacten optreden als hoofd adviseur voor buitenlandse kwesties.

Met zijn 34 jaar was Trott de jongste deelnemer van Kring Kreisau, maar zijn inzichten werden door de overige leden als zeer waardevol beschouwd. Regelmatig reisde hij dan ook naar het buitenland om daar contacten te onderhouden tussen de kring en de geallieerden. Maar Trott zag ook het nut van belangrijke contacten onder de Duitse weerstandsleden onderling. Uitwisselingen van informatie van Carl Friedrich Goerdeler en Generaloberst Beck met de Kreisauers bijvoorbeeld scheen hem zeer nuttig. Zo legde hij daarmee de fundering voor het schaduwkabinet Beck/Goerdeler dat het eerste postnationaalsocialistische kabinet moest gaan worden na de couppleging. Trott zelf zou daarbij de positie van staatsecretaris innemen onder Ulrich von Hassell, die de functie van Minister van Buitenlandse Zaken op zich zou gaan nemen.

In voorjaar 1942 kwam er een nieuwe ontmoeting tot stand tussen de theoloog Willem Visser ’t Hooft en Adam Trott zu Solz, ditmaal in Genève. Visser ’t Hooft was inmiddels Generaalsecretaris van de Wereldraad van Kerken geworden. Hij stelde Trott voor om een memorandum te schrijven en deze in te dienen bij de Britse regering. Maar opnieuw ontbrak de belangstelling van de kant van de Britten. Dit was voor Adam een grote teleurstelling. Ondertussen werkte Trott nog steeds aan de uitbreiding van zijn contacten. Ditmaal bezocht hij Zweden en legde daar contact met de christelijk georiënteerde Sigtuna-kring. Trott legde ook contact met Scotland Yard, die hij op de hoogte bracht over plannen van het Duitse verzet voor een couppleging.

1943 was ook het jaar waarin Trott Claus Schenk Graf von Stauffenberg leerde kennen. Tussen hen groeide een diepe vriendschap. Wanneer het ging om het te vormen schaduwkabinet koesterde Stauffenberg grote voorkeur voor de leden van Kreisauer Kring in plaats van de Goerdeler-groep vanwege hun oudere leeftijd. Hij zag Goerdeler dan ook niet als de nieuwe Reichskanzler, maar schoof Julius Leber naar voren, vooral omdat Leber ook bereid was om met de Sovjet Unie te onderhandelen. Goerdeler wilde maar niet inzien dat de Westelijke mogendheden alleen te hulp zouden schieten, wanneer Duitsland onvoorwaardelijk zou capituleren.

In 1944 reisde Adam naar Bern en ontmoette daar Allen Welsh Dulles, medewerker van de Amerikaanse geheime dienst en Hans Bernd Gisevius. Dulles had de president op de hoogte gebracht van de het Duitse weerstandsstrijders. Maar hij werd terecht gewezen: advies geven aan het Witte Huis behoorde niet tot zijn taak. In april reisde Trott opnieuw naar Zwitserland om toch de mogelijkheid voor overleg tussen het Westen en de Sovjet Unie open te houden. De Westerse mogendheden hielden echter vast aan hun oorlogsdoelen en daar paste geen samenwerking met de Duitse oppositie in.

Het jaar 1944

In juni 1944 kwam het tot een ontmoeting tussen Trott zu Solz, de theoloog en ook Kreisauerlid Eugen Gerstenmaier en de Zwitserse diplomaat Phillipe Mottu. In Stuttgart werd Mottu ingewijd in de kring van de weerstandsstrijders. De Kreisauers overlegden hem een lijst van leden van het schaduwkabinet. Mottu reisde daarna door naar Washington, maar ook hij vond geen gehoor bij Roosevelt voor ondersteuning van het Duitse verzet.

Na gesprek met Oberst Georg Hansen en Stauffenberg reisde Trott opnieuw naar Stockholm, om de Engelsen alsnog op andere gedachten te brengen. Tevergeefs, want door het succesvolle verloop van de invasie door de geallieerden in Normandië was er in het geheel geen belangstelling meer voor het Duitse verzet. Op 21 juli was de laatste grote bijeenkomst van de weerstandsstrijders in hotel Adlon te Berlijn.

De dag van de 20ste juli in 1944 brak aan. Adam Trott had al voor alle zekerheid belangrijke papieren verstopt en andere stukken vernietigd. De hele dag was Adam op het Auswärtiges Amt in de Wilhelmstraße gebleven in afwachting van de militairen, die de macht zouden overnemen. Hij wist dat bij mislukking, hij onvermijdelijk gearresteerd zou worden, want hij was teveel bij het verzet betrokken. Er werd bij hem er nog op aangedrongen om te vluchten naar Zwitserland, maar Adam weigerde dat vanwege zijn vrouw en kinderen. Zoals bekend is, mislukte de aanslag. Op 25 juli 1944 werd hij gearresteerd. Trott was voor de dagelijkse bijeenkomst naar het AA gegaan, daar had de Gestapo haar positie in zijn kantoor al ingenomen. De secretaresse, die haar baas nog had willen waarschuwen, werd uit voorzorg vast gehouden. Zo liep Trott regelrecht in de val van de Gestapo. De gearresteerden van de 20ste juli werden eerst vastgehouden in de kelders van het Gestapohoofdkwartier aan de PrinzAlbrechtstraße. Toen er steeds meer arrestaties volgden, werden de gevangenen overgebracht naar de Zellengefängnis Moabit in de Lehrterstraße, 2 ½ kilometer verderop. Voor ieder verhoor werden ze teruggebracht naar het Gestapohoofdkwartier. Dit gebeurde ook met Adam Trott. Tot het laatste moment bleef hij nog hopen op steun van de geallieerden, maar die bleef uit. Op 11 augustus kwam het bericht dat Trott op de eerstvolgende zitting – op 16 augustus- ter dood veroordeeld zou worden. Echter, omdat er een vermoeden was dat Trott de nodige informatie verzwegen had, werd het vonnis uitgesteld. Maar op 23 augustus werd hij alsnog ter dood veroordeeld. Op 26 augustus 1944 werd hij in Plötsensee-gevangenis opgehangen.

Zijn familie onderging Sippenhaft. Clarita werd overgebracht naar de gevangenis Berlin-Moabit en haar kinderen Clarita en Anna-Verena werden naar een nieuw huis gebracht in Bad Sachsa, waar ze nieuwe namen kregen en ver van huneigen familie gehouden werden. In deze nieuwe omgeving kregen de kinderen een heropvoeding naar nationaalsocialistische opvattingen. Ze verbleven hier tot oktober 1944, waarna zij met hun moeder herenigd werden. Clarita was eind september onverwachts vrijgelaten. Moeder en kinderen overleefden de oorlog en Clarita ging na de oorlog medicijnen studeren. Ze werd psychotherapeut. De herinnering aan Adam Trott zu Solz wordt levendig gehouden door de Stiftung Adam von Trott.

Zie ook: Adam Trott zu Solz en Nederland

Bronnen:

Bielenberg, Christabel-Christabel, het verleden ben ik zelf-  Bert Bakker 1970

Vassiltchikov, Marie -Berlin Diaries – Vintage 1988

Klemperer, Klemens von -German Resistance against Hitler-  Oxford Univerity Press, 1992

www.gdw-berlin.de/