De andere kant van de Tweede Wereldoorlog.

Over het Duitse verzet vanaf 1933 tot 1945.

-Paul Wenzel Rosbaud-bijgenaamd: de Griffioen.

Paul Rosbaud — 18 November 1896- 28 Januari 1963

Paul was de tweede zoon in het gezin Rosbaud, waaruit zijn vader al vroeg verdwenen was. Ze hadden een gelukkige jeugd in een armoedige flat in Graz,Oostenrijk, waar muziek het gezin overeind hield. Anna gaf pianolessen en zijn broer Hans speelde zowel cello als viool. Hij wilde een muzikale carrière gaan maken. Paul zelf speelde ook viool. De jongens lazen verplicht Goethe, Schiller en Shakespeare, maar hun voorkeur gold zoals zoveel jongens op die leeftijd Conan Doyle en Jules Verne. Paul was daarbij groot fan van Karl May.

Paul had zijn vader nooit gekend, maar hij had al snel een substituut gevonden in de buurman Strajner, die behalve als tramconducteur ook nog een avontuurlijk leven leidde als speloncoloog. Hoewel Paul altijd zou beweren, dat hij zijn vader niet gemist had, blijft het een feit dat hij vond dat zijn vader zijn moeder onrecht had aangedaan en daarna had hij hen tekort gedaan door te verdwijnen.

Toen Paul zeventien was, overleed zijn moeder en Paul nam dienst als soldaat bij het Koninklijke en keizerlijke 27e regiment Stiermarken. Dat was in 1915 en hij was toen 18 jaar. Uiteindelijk verdiende hij diverse onderscheidingen, waaronder onderscheidingen voor betoonde moed en het militaire Karl-kruis. In 1918 lag de militaire eenheid waartoe Rosbaud behoorde in Italië. Daar bij het stadje Padua werd de wapenstilstand getekend en de eenheid gaf zich over aan de Engelsen. Zo werd Rosbaud krijgsgevangene van de Britten. Deze ervaring zorgde ervoor dat Paul langdurig Engelsgezind zou blijven. Zijn broer Hans had ondertussen de kans gekregen om naar het conservatorium te gaan, vanwege zijn slechte gezondheid kreeg hij vrijstelling van militaire dienst. Hij had vriendschap gesloten met prins Alexander Friedrich, landgraaf van Hessen en een begaafd violist. Hans werd diens vaste begeleider, op zijn voorspraak kwam Paul na de oorlog ook in het slot wonen. Dankzij de landgraaf kreeg hij de kans om chemie te gaan studeren aan de technische hogeschool van Darmstadt. In die tijd leerde hij Hildegard (Hilde) Frank kennen, de dochter van een rijke joodse houthandelaar. Ondanks dat Paul niet joodse was, trouwden ze toch, omdat Hilde zwanger was geraakt.

Na zijn einddiploma in darmstadt kreeg Paul een beurs om te gaan studeren aan het Kaiser Wilhelminstituut, een instituut voor fysica in Dahlem, Berlijn. Zijn doctorstitel besloot hij te gaan halen aan de technische hogeschool van Berlijn-Charlotteburg. Zijn werk werd alom gewaardeerd- Paul deed onderzoek op het gebied van de röntgen-cinematografie-toch leverde dit hem geen baan op aan een universiteit. Wel kon hij terecht op het laboratorium van Metallgesellschaft A.G.te Frankfurt, maar Pauls hart bleef trekken naar de academische kringen. Al snel kreeg hij de kans om te gaan werken in Berlijn bij Metallwirtschaft. Er werd een nieuw weekblad uitgegeven en Rosbaud werd aangesteld als wetenschappelijk adviseur. Deze functie zorgde ervoor dat hij veel kon gaan reizen door Europa en op die manier kon hij vele wetenschappers ontmoeten. Die kennismakingen gingen hem makkelijk af dankzij zijn vriendelijke aard en zijn enthousiasme en zo ontmoette hij fysici die later beroemd werden, zoals Niels Bohr en Albert Einstein. Hierdoor was Rosbaud uitstekend op de hoogte van de algemene wetenschappelijke ontwikkelingen.

In 1933 kwam Adolf Hitler aan de macht. Rosbaud had de politieke ontwikkelingen reeds vanaf het begin gevolgd en hij koesterde vijandigheid tegenover dit nieuwe regime. Zijn baas bij Metallwirtschaft liet nu openlijk blijken dat hij wel met de nazi’s sympathiseerde, hij was zelfs lid van de nazipartij. Mede hierdoor besloot Paul Rosbaud om alles te doen wat hij kon om Hitler te vernietigen, omdat die zich keerde tegen de academische wereld die Paul zo liefhad. Gelukkig voor Paul kon hij zijn baan vaarwel zeggen. Hij kreeg weldra een nieuwe baan als adviseur aangeboden bij uitgeverij Springer, een firma die werd geleid door de twee broers Springer. In diezelfde tijd ontstond een bijzondere ontmoeting met Francis Edward Foley. Foley was een Engelsman en beschikte over een talenknobbel. Tijdens de eerste Wereloorlog was hij als kapitein gewond geraakt en daarom kwam hij terecht op het bureau van de inlichtingendienst. Via Secret Intelligent Service kwam hij te werken in Berlijn bij het Britse gezantschap. Toen de nazi’s aan de macht kwamen, raakte Foley begaan met de Joden en hij trachtte hen te helpen om Duitsland te ontvluchten. Rosbaud deed dit intussen ook. Hij had bijvoorbeeld hulp geboden aan de joodse kerngeleerde Lise Meitner, zij vluchtte via Holland naar Zweden. Mogelijk hadden Rosbaud en Foley elkaar op deze wijze ontmoet. Later gaf hij ook technische informatie door aan Foley. Echter, omdat Foley’s hulp aan de joden niet onopgemerkt bleef voor de Gestapo, stopte Paul met dit contact na wederzijds overleg. Immers, hij kon zelf ook niet geheel risicoloos zijn gang gaan.

Rosbaud wist namelijk niets af van de achtergrond van zijn vader, omdat deze het gezin al vroeg verlaten had en inmiddels was de “Ahnentafel” van kracht geworden. Dit hield in dat men een stamboom moest overleggen die terug ging tot 1 januari 1800 om te zien of er sprake was van joodse voorouders. Om eventuele problemen ten aanzien van de afkomst van Pauls vader te omzeilen, werd er gebruik gemaakt van hun oude buurman, die als een vervangende vader voor de beide broers was geweest. Strajner verklaarde onmiddellijk de vader te zijn van de beide broers Rosbaud. Toch was daarmee het gevaar niet voorbij. Paul was immers getrouwd met een joodse vrouw.

Na een jaar of vijf zocht Rosbaud zijn vriend Foley weer eens op. Ditmaal niet zo zeer om informatie door te geven, want hoewel in eerste instantie Londen belangstelling had voor politieke, militaire en economische inlichtingen, voor technologische ontwikkelingen bestond in Londen veel minder aandacht. Maar in 1938 zocht Paul zijn vriend op voor heel andere reden, hij wilde zijn vrouw en dochter in veiligheid brengen door ze naar Engeland te laten vluchten. Toen Hilde eenmaal in Engeland was, onderhield Lise Meitner het contact tussen beide echtelieden uit dank voor Pauls hulp bij haar vlucht. Ook al was er voor Rosbaud zelf ook die mogelijkheid om naar Engeland te gaan, hij zou daar in vrijheid kunnen leven, doch hij wees die kans af. Alleen in Duitsland was hij in staat om Hitler en het nazirijk schade toe te brengen, zoals hij in gedachten had en die gedachten was voor hem een obsessie geworden. Daarom verzamelde hij de gegevens van de technologische ontwikkelingen met betrekking tot de wapenindustrie.

Zo bracht hij onder meer inlichtingen bijeen over de geheime basis Peenemünde, waar de V1 en V2 ontwikkeld werden, zoals het aantal oefenvluchten, maakte beschrijvingen van de V2-raket en van een aantal onderdelen. Ook gaf hij informatie door over de ontwikkeling van de atoombom, om precies te zijn over de ontdekking van de kernsplitsing, waardoor de Duitsers in staat zouden zijn om een atoombom te ontwikkelen. In Holland gaf hij inlichtingen door voor wat betrof de chemische oorlogvoering. Er waren diverse contacten met Philips-Eindhoven. Ook had hij in Nederland contacten met de Britse geheime dienst. Daarnaast waren er ook contacten tussen Rosbaud en het Vaticaan. Ook met het Franse verzet, de groep “de Ark van Noach” die onderleiding stond van Marie-Madeleine Fourcard had Rosbaud goed contact. Hij had er plezier in om de nazi-autoriteiten dwars te zitten en hij had belangstelling voor boeiende en bizarre figuren. Mogelijk had hij daardoor ook contacten met de Russen via de “Rote Kapelle”. Volgens de laatste onderzoeken lijkt die mogelijkheid steeds aannemelijker.

Voor zijn contacten met de Britten, maakte Rosbaud ook veelvuldig gebruik van de Noorse koeriers. Rond het uitbreken van de oorlog studeerden veel Noorse studenten aan de Duitse Hochschulen. Toen in Noorwegen de invasie plaats vond in 1940, keerden een aantal van hen terug naar hun vaderland. Sommigen prefereerden het om te blijven, omdat ze sympathiseerden met de nazi’s. Maar er waren ook studenten, die toch nog naar Duitsland kwamen om te studeren, vanwege de goede faciliteiten. Enkelen van hen gebruikten hun bewegingsvrijheid om informatie in te winnen, waardoor het naziregime ondermijnd kon worden. Eén van hen was Sverre Bergh. Deze 20-jarige student studeerde in Dresden. Theo Findahl was een oom van hem, hij was correspondent in Berlijn en gaf aan zijn redacteur veel vertrouwelijke informatie door. Logischerwijze wilde Sverre dit ook. Via de XU-groep- de inlichtingendienst- kwam hij in contact met Paul Rosbaud. Ze maakten samen een rapport over de V2. Na de oorlog vernam Bergh dat er met dit rapport niets was gebeurd, omdat men er destijds geen geloof aan gehecht had.

Eind 1945 werd Paul Rosbaud gesmokkeld uit Berlijn. In Londen hielp hij een filiaal van Springer te stichten, Hij begon zelf wetenschappelijk werk uit te geven en hij bleef adviseur voor verschillende Europese uitgeverijen van wetenschappelijk werk. Op 28 januari 1963 overleed hij aan leukemie.

 

Nabeschouwing.

 Paul Rosbaud stond bij zijn vrienden bekend als een vriendelijke, intelligente Oostenrijkse jongen, die niet veel op had met Duitsers. Hij liep altijd keurig gekleed, meestal op Engelse wijze. Hij was voor zijn vrienden royaal, hield van muziek en van vrouwen. Niettemin voerde hij een eenzame strijd. Zijn vrouw Hilde wist niets van Pauls activiteiten. Zijn vriendin Ruth kende een aantal van zijn activiteiten, omdat ze hem daarbij hielp en dan ging het om joden,communisten, sociaal-democraten, krijgsgevangenen of buitenlandse dwangarbeiders. Van de andere activiteiten, zoals die van de spionage, wist ze ook niets. Het was bekend dat hij niet was aangesloten bij de groep die betrokken was bij de aanslag op Hitler. Hoewel hij er wel van wist via zijn vriend de fysische chemist Karl Friedrich Bonhoeffer, de broer van Dietrich.

 Zo nu en dan slaagde Rosbaud erin om een concentratiekamp te bezoeken en dat had indruk gemaakt op hem, toen hij voor het eerst geconfronteerd werd met mensen met hongeroedeem. Verschillende malen smokkelde hij  voedsel in de kampen naar binnen.
Pauls medeleven met de lijdende mensen was zo groot, dat hij bereid was om straf te riskeren. Hij was immers niet alleen spion, maar ook een landverrader. Ook heeft hij veel mensen geholpen ondanks dat hij zelf gevaar liep. En dat risico liep hij al, wanneer er ook maar één fractie van zijn illegale activiteiten bekend zou worden. Soms kocht hij een gezin vrij, hielp jongeren om aan de dienstplicht te ontsnappen of hielp hen aan werk in een fabriek, zodat ze niet naar het front hoefden. Indien ze toch in dienst moesten, zorgde hij voor voedsel en kleding.

Terugkijkend was het een behoorlijke prestatie, dat Rosbaud tot zeker begin 1943 niet verdacht was. Het leek bijna of hij onkwetsbaar was. Het was belangrijk om je voorbeeldig te gedragen, om de Gestapo gerust te stellen en verdenking af te wenden en dat lukte hem kennelijk uitstekend. Hij wist daardoor heel veel materiaal door te spelen naar de geallieerden.

Paul Rosbaud heeft nooit erkenning gezocht voor zijn illegale activiteiten. Voor hij stierf, had hij het grootste deel van zijn persoonlijke papieren vernietigd. Na zijn dood werden er nog stukken van hem door anderen vernietigd. Officieel bestaan er geen documenten over Rosbaud in de archieven van de Britse geheime dienst.

 

Bron:

Kramish, dr.Arnold- De Griffioen, de verzwegen geschiedenis van de belangrijkste geallieerde spion in nazi-Duitsland-1987
Lewin Sime, Ruth- Lise Meitner-a life in physics-1997