De andere kant van de Tweede Wereldoorlog.

Over het Duitse verzet vanaf 1933 tot 1945.

Kinderwerk -hoe ging dat en wie waren de verantwoordelijken?

In de oorlogsjaren ontsnapten circa 3500 kinderen aan deportaties door onder te duiken. Een groot aantal, ongeveer 1100 kreeg een onderduikadres via een 4 tal verzetsgroepen. Circa 600 kinderen zijn uit de Amsterdamse crèche gesmokkeld via verzetsorganisaties en individuele helpers.

Kinderwerk, zo werd het verzorgen van onderduik voor Joodse kinderen genoemd. De jonge Curt Löwenstein, alias Ben Joosten was één van de verzetsleden die actief betrokken was bij de kinderonderduik. Hij werkte samen met de verzetsstrijders Hanna van de Voort en Piet Meerburg. Hanna leidde een kleine groep in Tienray en Piet leidde een studentengroep in Amsterdam.

Kinderen hadden de voorkeur, wanneer het ging om onderduik. Meer dan volwassenen. Mensen waren namelijk sneller bereid om een kind in huis te nemen, omdat kinderen konden rekenen op een hoog empathiegehalte bij hun onderduikouders. Zowel binnen als buiten het verzet werden pogingen ondernomen om Joodse kinderen in veiligheid te brengen, maar een belangrijke taak in het zogeheten Kinderwerk lag zonder meer bij het studentenverzet. De studenten waren immers zelf nog jong en op kinderen hadden ze meer overwicht dan op ouderen. Daar kwam bij dat de mannelijke studenten door de Duitse bezetter opgeroepen werden om dwangarbeid te verrichten in Duitsland. Om hieraan te ontkomen, doken de jonge mannen onder en tijdens hun onderduik waren ze bereid andere onderduikers te helpen.

De crèche en het verzet

“Ik kwam elke week bij Süskind. Hij gaf aan hoeveel kinderen er uit moesten en ik probeerde bijpassende onderduikadressen te vinden. Baby’s waren nooit een probleem. Soms waren verzoeken van pleegouders heel specifiek, dan wilden ze een meisje van 8 jaar. Maar als het ging om bijv. jongens van boven de 12 met een duidelijk Joods uiterlijk, dan was het een ander verhaal. Die kon je veel minder makkelijk kwijt. Dan zei ik tegen Süskind: geef me een week. Tenzij er echt haast bij was, omdat een kind op transport zou gaan. Dat overzicht had Süskind. Hij en Halverstad hadden alles onder controle,” vertelde Piet Meerburg, leider ASG.

De crèche aan de Plantage Middenlaan, tegenover de Hollandse Schouwburg

De crèche aan de Plantage Middenlaan, tegenover de Hollandse Schouwburg

Een cruciale rol in het Kinderwerk speelde de crèche aan de Plantage Middenlaan 31-33 in Amsterdam tegenover de Hollandse Schouwburg. Deze crèche was voor de oorlog opgezet als kinderopvang voor de kinderen van de Joodse handelaren van het Waterlooplein en was voor die tijd tamelijk modern. In oktober 1942 werd de crèche een dependance voor de Hollandse Schouwburg. Daar werden de Joden verzameld die op transport gingen naar Kamp Westerbork. Hun kinderen tot 12 jaar werden in de crèche opgevangen, net als weeskinderen overigens. In totaal hebben hier ca. 5000 kinderen in de oorlogsjaren verbleven. De crèche werd geleid door Henriette Pimentel en er ontstond een nauwe samenwerking met de beheerder van de Hollandse Schouwburg, de uit Duitsland afkomstige Walter Süskind om de kinderen te laten onderduiken. Door middel van zijn werkzaamheden voor de Joodse Raad wilde hij zoveel mogelijk mensen redden van deportatie. Vooral de kinderen hadden zijn aandacht. Doch voor onderduik waren adressen nodig en daarvoor moest er een beroep gedaan worden op het verzet. Gedurende de oorlogsjaren raakten 4 verzetsgroepen betrokken bij het Kinderwerk en de Amsterdamse crèche:

De Naamloze Vennootschap –NV in Amsterdam, onder leiding van Jaap Musch. De 30 jarige Musch voelde zich gedreven door zijn gereformeerde geloof om de Joodse kinderen te helpen. Hij kreeg steun en medewerking van zijn broer Gerard en zijn vriend Dick Groenewegen van Wijk. Al snel kreeg de NV contact met het verzetsechtpaar Joop en Semmy Woortman. In 1943 had Joop Woortman contact gekregen met Walter Süskind. Woortman was taxichauffeur, een baan die hem veel bruikbare contacten opleverde en dankbaar door de groep gebruikt werden.

Trouw-groep – bij deze groep ging het om een samenwerking tussen Hester van Lennep, haar vriend een Hongaars-Joodse onderduiker Sándor Baracs en Gesina van der Molen. Hester van Lennep bezat een instituut voor huidverzorging. Onder haar klanten bevonden zich ook Joden. Zij zochten onderduikadressen voor hun kinderen en vroegen Hester om hulp. Nadat Sándor contact had gekregen met Walter Süskind, werden van Lennep en Baracs een belangrijke hulp voor de kinderen van de crèche. In 1943 ging Gesina van der Molen deel uit maken van hun kleine kring. Gesina behoorde tot de verzetsgroep rondom de toenmalige illegale krant Trouw. Door die verbintenis konden Hester en Sándor hun kleine netwerk flink uitbreiden met de Trouw –organisatie.

-In Utrecht was het Utrechts Kinder Comité –UKC actief. Deze groep was opgericht in de zomer van 1942 door de Utrechtse studenten Jan Meulenbelt en Rut Matthijsen. Ze kwamen aan onderduikadressen met hulp van hun vriendenkring. De financiën werden vooral gedekt uit inkomsten van de Bezige Bij met medewerking van het Nationale Steunfonds. Zo gaf de uitgeverij het gedicht “Het lied der 18 dooden”van Jan. R.T.Campert uit.
Na de zomer van 1943 ging men zich ook bezighouden met het onderbrengen van geallieerde piloten.

Amsterdamse Studenten Groep –ASG, ofwel Groep Meerburg. De oprichter was Piet Meerburg, geboren in 1919.

Piet Meerburg  (Bron: NIOD)

Piet Meerburg
(Bron: NIOD)

Zijn vader wilde niets liever dan dat zijn zoon in zijn voetsporen als chemicus zou treden. Piet Meerburg deed wat zijn vader van hem verlangde, maar hij voelde zich niet gelukkig tijdens zijn studie. Na een jaar volgde hij zijn hart, brak zijn studie Chemie af en ging naar Amsterdam om rechten te studeren. Het werd geen onbekommerde studietijd, want in mei 1940 brak de oorlog uit. Voor de Joodse bevolking werden allerlei regels van kracht. Ook de Joodse medestudenten van Piet Meerburg werden getroffen door nieuwe regels, die opgesteld waren door de Duitse bezetter. Het lukte Meerburg niet om zich zomaar neer te leggen bij de veranderde maatschappelijke situatie. In andere steden waren studenten intussen begonnen om zich te organiseren in verzetsgroepen en ook Piet Meerburg ging bij het verzet. Met hulp van oud-leerlingen van het Vossius-gymnasium ontstond onder zijn leiding de Amsterdamse Studenten Groep -ASG. Onder de vrouwelijke leden bevonden zich Hansje van Loghem, de verloofde van Piet en de medische studente Mieke Mees. Lid was ook de wiskundestudent Jur Haak. Hij was een vriend van Meulenbelt van het UKC en langs die weg kreeg Piet Meerburg contact met het UKC en zo kwam de ASG in het Kinderwerk terecht. Er kwam een samenwerking tot stand tussen beide verzetsgroepen. De ASG ving de Joodse kinderen op, o.a. via de bekende huisarts Fideldij Dop, en het UKC zorgde voor onderduikadressen in Utrecht en omgeving. Een belangrijke schakel tussen de UKC en de ASG was de rechtenstudente Gisela Söhnlein. Als lid van het UKC bracht zij diverse keren Joodse kinderen van Amsterdam naar Utrecht. Daar vandaan gingen de kinderen naar onderduikadressen in de provincie. Vooral in Friesland en Limburg konden betrekkelijk veel Joodse kinderen worden ondergebracht.

De dilemma’s van die ouders waren vreselijk. Wij als studentenverzetsgroep waren ervan overtuigd dat hun de vernietigingskampen wachtten, terwijl zij uitgingen van werkkampen in Polen die ze best konden overleven. Dus wilden ze hun gezin bijeenhouden. Soms wilden wij ze zó graag overtuigen, ompraten. Maar we hadden een heilig principe: alléén de ouders zelf mogen de keuze maken,”aldus Piet Meerburg

Aanvankelijk had de ASG een eigenaardige methode ontwikkeld om Joodse kinderen, voornamelijk baby’s, te laten onderduiken. Eerst probeerde Wouter van Zeytveld een 18 jarige scholier en naaste medewerker van Piet Meerburg Joodse ouders te overtuigen om hun kinderen te laten onderduiken. Wanneer dit lukte, werd het kind opgehaald uit de ouderlijke woning en vervolgens bij de wachtende pleegouders op de stoep “te vondeling gelegd”. De koeriers belden aan en verdwenen zonder verder af te wachten. De pleegouders haalden de baby binnen en lieten het kind op het gemeentehuis registeren. Als ‘ariër’ had het nu ook recht op bonnen. Een reactie van Duitse kant liet niet lang op zich wachten. Bepaald werd dat iedere vondeling voortaan behandeld zou worden als zijnde Joods.

Maar er waren meer kinderen, voor wie dringend hulp nodig was. De kinderen in de crèche aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam bijvoorbeeld. Begin 1943 ging de Meerburg-groep meer en meer onafhankelijk werken van de UKC. Piet Meerburg had inmiddels contact gekregen met Walter Süskind en een nieuwe smokkellijn kwam op gang. Maar meer kinderen betekenden ook meer onderduikadressen! Begin 1943 ging de Meerburg-groep meer en meer onafhankelijk werken van de UKC. Via zijn nicht Mia Coelingh ging Meerburg op zoek naar onderduikadressen in Friesland. Ook de Friese knokploegen waren bereid adressen te leveren, zodra zij hoorden dat Meerburg op zoek was. Friesland was echter niet de enige provincie waar Piet kinderen wilde onderbrengen. Hij had ook belangstelling voor Limburg. Hij maakte kennis met Karel Ex uit Venlo. Ex was ondergedoken, maar was ook aangesloten bij de Limburgse Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. Hij leverde diverse adressen in Limburg voor onderduikers. Via Karel Ex kwam er ook een verbinding tot stand tussen Meerburg en Hanna van de Voort. Zij leidde een kleine, maar een vrij zelfstandige groep in Tienray.

Hanna, Nico, Hansje van Loghem en Piet Meerburg (Bron:Verzetsmuseum Amsterdam)

Hanna, Nico, Hansje van Loghem en Piet Meerburg (Bron:Verzetsmuseum Amsterdam)

 

Johanna van de Voort en Nico Dohmen ofwel Tante Hanna en Oom Nico Dohmen

Hanna van de Voort (bron: oorlogsbronnen.nl)

Hanna van de Voort
(bron: oorlogsbronnen.nl)

Nico Dohmen (Bron: Verzetsmuseum Amsterdam)

Nico Dohmen
(Bron: Verzetsmuseum Amsterdam)

Hanna van de Voort woonde in het Limburgse Tienray en was kraamverzorgster toen de oorlog uitbrak. Hoewel ze 40 was, woonde ze nog bij haar ouders, waar ook de Nijmeegse student Nico Dohmen ondergedoken zat. Door haar werk kende ze heel veel mensen. Precies wat het verzet nodig had, want naarmate de oorlog langer duurde, waren er steeds meer onderduikadressen nodig. Ook Karel Ex uit Venlo was op zoek naar mogelijkheden om Amsterdamse Joodse kinderen onder te brengen. Hij kwam in gesprek met een nicht van Hanna en zij dacht meteen aan Hanna. Toen ze kwam vragen om hulp, ving Nico Dohmen het gesprek op. Toen Hanna besloot mee te werken, aarzelde Nico geen moment. Het verzet was voor hem immers geen onbekend terrein. Zijn neven waren al betrokken bij hulpacties voor geallieerde piloten, die neergestort waren. Samen zetten ze een groep op, ze kregen daarbij hulp van de ondergedoken 17 jarige Curt Löwenstein. Via Karel Ex ontspon zich een nauwe samenwerking met Piet Meerburg.

De meeste kinderen, voor wie onderdak werd gezocht, waren afkomstig uit de crèche tegenover de Hollandse Schouwburg en kwamen bijna allemaal via Meerburg bij Hanna terecht. Zodra er kinderen uit Amsterdam weg moesten, kreeg Hanna een telegram met de mededeling dat er een bepaald aantal pakjes theesurrogaat en koffiesurrogaat werden gestuurd. Theesurrogaat was een code voor de meisjes en koffiesurrogaat voor de jongens.

 

Na aankomst in Limburg bleven de kinderen doorgaans eerst enkele dagen bij Van de Voort. Ze kregen een nieuwe identiteit en als reden voor hun verblijf in de provincie werd het verhaal in omloop gebracht dat de kinderen uit Rotterdam geëvacueerd moesten worden wegens de bombardementen. Nadien werden ze geplaatst bij boerenfamilies in de omgeving en daar werden de kinderen de belangrijkste elementen van het Katholieke Geloof bijgebracht om hun Joodse achtergrond te camoufleren. Ze gingen gewoon naar de lagere school en naar de kerk. Uit veiligheid met het oog op ontdekking werden de kinderen zo nu en dan overgebracht naar andere locaties. Dohmen en Löwenstein zochten de kinderen regelmatig op en moedigden hen aan om vol te houden, want om zonder ouders op een vreemde plek te zijn, viel niet mee voor hen. Bij hun bezoeken brachten ze kleding en voedsel mee, hoewel er ook pleeggezinnen die goederen van het verzet weigerden, omdat ze zelf over voldoende voedsel en kleding beschikten.

Ondanks alle voorzorgsmaatregelen bracht een verrader de Duitse autoriteiten op de hoogte van de jonge onderduikers en de Sicherheitsdienst besloot tot actie over te gaan. In de nacht van 31 juli op 1 august 1944 vond er een razzia plaats in Tienray, 7 kinderen onder twaalf jaar werden gearresteerd. Ze zouden allemaal vergast worden in Auschwitz…
Hanna van de Voort werd eveneens opgepakt. Ze werd onderworpen aan zware verhoren. Martelingen moesten er immers toe leiden dat Hanna informatie zou geven over het verzet, maar ze liet niets los. Na 9 dagen hield de SD de verhoren voor gezien en besliste dat Hanna zou op transport gezet zou worden naar vrouwenkamp Ravensbrück. Onmiddellijk nadat Piet Meerburg hoorde van de arrestatie van Hanna, stuurde hij Mieke Mees naar Limburg om uit te vinden hoe de zaak er voor stond. Mieke wist contact te maken met een officier van de SD en dankzij haar bemiddeling, werd Hanna van de Voort vlak voor vertrek vrijgelaten. Als gevolg van de martelingen zou ze echter de rest van haar leven invalide blijven.

In het najaar van 1944 kwam Tienray in de frontlinie te liggen. Nico Dohmen probeerde de pleeggezinnen te overtuigen om de Joodse kinderen onder hun hoede te houden. Ondanks dat de kinderen vanwege dreigend gevaar zo nu en dan verplaatst moesten worden, zijn ze uit handen van de Duitsers gebleven.

Het verloop na de oorlog

Ik heb later ingezien dat ik het werk heb kunnen doen, omdat ik jong was, ongebonden en nog geen kinderen had. Angst was er altijd wel, maar je stopte het weg. Ik heb altijd gedacht dat we het niet zouden overleven. Dat gevoel hadden de anderen volgens mij ook, maar we verdrongen het. Ik denk dat dit fatalisme ook een rol speelde in wat er gebeurde tussen al die jonge mensen die rondom de crèche bezig waren. Met de spanning en angst, de kameraadschap. Soms deed dit de liefde oplaaien.”-Piet Meerburg

 Naast Joodse kinderen hielp Piet Meerburg ook niet-Joodse kinderen. Dankzij zijn baan als controleur bij de NS, mocht hij vrij reizen en dat kwam hem in de oorlog goed van pas. In de Hongerwinter van 1944 bracht hij ondervoede Amsterdamse kinderen naar Friesland.

Na de oorlog ging Piet Meerburg werken bij de Commissie voor Oorlogskinderen, maar er waren steeds fikse discussies gaande tussen de pleegouders en de Joodse gemeenschap. De pleegouders wilden hun “kinderen”houden, terwijl de Joodse gemeenschap de kinderen naar Israël wilde laten gaan. Hierdoor stopten veel medewerkers met het werken voor die Commissie, zo ook Meerburg.
Hij werd theaterondernemer en produceerde enkele opvoeringen van het Dagboek van Anne Frank. Daarnaast was hij oprichter van de Amsterdamse Studenten Oppascentrale en van de studentenbioscoop Kriterion.

Voor zijn werkzaamheden bij het verzet ontving hij een onderscheiding van Yad Vashem. Ook Mieke Mees ontving de Rechtvaardigen onder de Volkeren- onderscheiding.

Hanna van de Voort, Nico Dohmen en Kurt Löwenstein hebben tijdens de oorlog 123 joodse kinderen helpen onderduiken. In 1957 werd een plaquette ter nagedachtenis aan Hanna van de Voort aan de gevel van haar voormalig ouderlijk huis onthuld en er kwam een monument in Tienray. In 1987 werd ze voor haar verzetswerk postuum geëerd met de Yad Vashem-onderscheiding -Rechtvaardigen onder de Volkeren.

Plaquette -tracesofwar.com

Plaquette aan de gevel (Bron: tracesofwar.com)

Het monument voor Hanna van de Voort in Tienray.

Het monument voor Hanna van de Voort in Tienray.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bronnen:

-Bakker, Alex -Dag pap, tot morgen -Joodse kinderen gered uit de crèche; uitgeverij Verloren, 2005

-Raaijmakers,H -artikel: de 123 joodse kinderen van Hanna en Nico

NIOD, held van de maand