De andere kant van de Tweede Wereldoorlog.

Over het Duitse verzet vanaf 1933 tot 1945.

+De Deserteurs en Overlopers.

Inleiding.

“Aan het front KAN men sterven, als deserteur MOET men sterven”, aldus Adolf Hitler.

Desertie, in het Duits Fahnenflucht genoemd, en ook het in dienst treden bij de vijand, werden al sinds mensenheugenis beschouwd als krijgsverraad, waar dan ook zware straffen op stond. Het is dan ook niet verwonderlijk dat dergelijk verraad eveneens bestraft werden tijdens het Derde Rijk.
Na de Weimar Republiek waar militaire strafzaken ondergebracht waren bij de burgerrechtbanken, voerde Hitler op 1 januari 1934 weer de militaire gerechtshoven in. Ter afschrikking bepaalde hij vanaf 1943 dat de executie moest geschieden in het bijzijn van de eigen kameraden, want desertie was een schending van de eed van trouw. In wezen pleegde de deserteur door zijn daad verraad aan zijn kameraden.

Ondanks dit feit waren vele soldaten bereid om dit risico te nemen. Naar schatting hebben tussen de 350.000 en 400.000 soldaten zich schuldig gemaakt aan desertie. In die dagen en zelfs tot ver na de oorlog werd deze daad gezien als een daad van lafheid. Door de militaire rechters werden deserteurs gezien als asociale  en ook vaak als zenuwzwakke lieden. Een stempel die zeker  bij velen van deze mensen niet pasten. Doch was het gewoon “een laffe daad”? Om te deserteren was immers veel moed nodig. Iemand die deserteerde, wist heel goed welk lot hem boven het hoofd hing als hij gepakt zou worden.

Allerlei motieven om te deserteren, speelden een rol.  Velen waren teruggeschrokken voor de wantoestanden die zich voltrokken aan de diverse fronten, maar er waren ook velen die desertie zagen als een poging van verzet. Een aantal van hen probeerden onder te duiken, zo ook in Nederland. Er zwierven regelmatig Duitse militairen op het platteland op zoek naar eten.  Enkele soldaten die sterker uiting wilden geven aan hun drang tot verzet, zochten aansluiting met het Nederlandse verzet en hielpen bij overvallen, zoals bij de Woeste Hoeve en Kamp Amersfoort. Ook bij de aanslag op SS-commandant Rauter waren twee Oostenrijkse militairen betrokken.

Er waren ook soldaten, die er liever voor kozen om in krijgsdienst te treden in het buitenland om via dat leger de Nazi’s te bestrijden. Maar daarmee brachten ze zichzelf wel in een moeilijke positie, ze moesten immers de wapens opnemen tegen hun eigen landgenoten, terwijl beide partijen vochten voor een beter vaderland. Zij het iedere partij met andere opvattingen hierover.
Voor enkele uiteenlopende verhalen met betrekking tot:
 desertie en
buitenlandse krijgsdienst.