De andere kant van de Tweede Wereldoorlog.

Over het Duitse verzet vanaf 1933 tot 1945.

– Johanna Solf

Johanna Solf  – 14 november 1887 – 4 december 1955

 

Johanna Solf was geboren op 14 november 1887 als Johanna Dotti. In 1908 huwde ze met dr. Wilhelm-Heinrich Solf, die op dat moment gouverneur van Samoa was.

Wilhelm Heinrich Solf- gouverneur van Samoa

Wilhelm Heinrich Solf- gouverneur van Samoa

 

Later onder de Weimar Republiek werd hij Staatssecretaris van het ministerie van Rijkskoloniën en van 1920 tot 1928 was hij Duitse ambassadeur in Japan. Sinds 1928 leefde het echtpaar in Berlijn, waar in 1936 Wilhelm-Heinrich Solf overleed.  Hij had echter nog ten volle de opkomst van het nationaalsocialisme meegemaakt en had onmiddellijk de gevolgen daarvan voorzien.  Vanaf dat moment was Solf anti-nazi. In 1932, na zijn pensionering,  had Solf zijn salon opengesteld voor velen, die het niet eens was met de nieuwe politieke wending en kreeg hij de bijnaam de Duitse Rode Pimpernel. Zo was de Solf-kreis geboren.Ondertussen spande Solf zich ook in om een halt toe te roepen aan de onmenselijke behandeling van Joden en politieke gevangenen. Hij richtte zich hiervoor zelfs tot Minister van Propaganda Joseph Goebbels, maar het mocht niet baten.

 

 

Die anti-nazi gevoelens golden ook voor zijn vrouw Hanna en ze was zijn medewerkster geworden. Na de dood van haar man kon ze niet lijdzaam toezien hoe het Nationaalsocialisme zijn gang ging. Zij wilde niets liever dan zijn werk inzake humaniteit, recht en vrede voort zetten en deed dit in samenwerking met haar dochter, Gräfin Lagi von Ballestrem, die in 1938 was teruggekeerd uit Shanghai, waar ze zich al vele jaren had ingespannen voor betere omstandigheden voor Joden. Door haar eerdere werkzaamheden voor haar man, beschikte Hanna over vele contacten, uiteenlopend van aard. Ze besloot daarom om het niet bij praten te laten, maar daadwerkelijk politieke en raciale vervolgden te helpen te vluchten naar het buitenland. Om haar activiteiten te camoufleren ging Hanna samen met haar vriendin Elisabeth von Thadden, de protestanse directrice van een meisjesschool nabij Heidelberg, theekransjes organiseren. Met enige regelmaat ontving ze nu medewerkers van buitenlandse zaken , die tegen het Naziregime waren, in haar huis. Hoewel Lagi onder scherpe controle stond van de Gestapo wegens haar handelswijze in Shanghai, hielp ze haar moeder zo veel mogelijk met de emigratie van Joden en toen dat niet meer mogelijk was, hielp ze met onderduiken van Joden.Via de kring leerde ze graaf Hubert von Ballestrem kennen, een felle tegenstander van het Nationaalsocialisme en in 1940 trouwden ze.

Lagi, Gräfin von Ballestrem

Lagi, Gräfin von Ballestrem

Het tij voor de Solf Kreis en daarmee ook voor Hanna en haar dochter begon te keren in september 1943, toen dr. Reckzeh zich wist in te dringen in de kring, die in het huis van Elisabeth von Thadden werd gehouden. Reckzeh was echter een politiespion, ingezet om de kring op te rollen. Maar tijdens de inval waren Hanna en haar dochter niet aanwezig en bleven de noodzakelijkste arrestaties uit. Maar het was uitstel van executie. De geallieerden zaten ook niet stil. In het najaar van 1943 vonden de eerste bombardementen op Berlijn plaats. Zowel Hanna als haar dochter raakten dakloos. Hanna vertrok naar haar jongste zus, Elisabeth Dotti in Partenkirchen; Lagi was gewond geraakt en volgde 6 weken later. Het was daar dat de Gestapo beide vrouwen alsmede Elisabeth Dotti en een oude huishoudster wel kon arresteren. Niet veel later werden nog enkele andere deelnemers van de Solf kreis gearresteerd.

Hanna werd aanvankelijk naar het kamp Sachsenhausen gebracht en vandaar steeds voor ondervraging naar Berlijn vervoerd naar het hoofdbureau van de veiligheidsdienst. Het regime treedt hard tegen haar op. Lagi werd eerst naar München gebracht en op 15 maart 1944 werd ze overgebracht naar de gevangenis in Berlijn. Het einddoel was echter vrouwenkamp Ravensbrück. Twee weken voor  het proces werden alle gevangenen terug gebracht naar Berlijn. De zaak van Elisabeth von Thadden en 5 anderen werden behandeld in één proces, tegen Hanna Solf werd een afzonderlijk proces gevoerd.In het eerste proces werden Elisabeth en Otto Carl Kiep ter dood veroordeeld, terwijl Hanna weer werd afgevoerd naar Ravensbrück. Ondertussen lekte het nieuws uit over de aanslag van de 20ste juli. De verhoren werden geïntensiveerd en de behandelingen strenger gemaakt. Vlak daarop werd Hanna Solf opnieuw vervoerd, ditmaal naar het tuchthuis in Cottbus.  In december 1944 werden de betrokken van de Solf Kreis overgebracht naar Moabit gevangenis, in afwachting van hun proces bij het Volksgerichtshof. Het proces zou worden voorgezeten door de gevreesde rechter Roland Freisler en de datum werd 8 februari 1945.  Dat proces zou echter niet plaatsvinden. Enkele dagen eerder, op 3 februari werd Berlijn opnieuw getroffen door een zwaar bombardement. Freisler kwam om het leven en ook het dossier van de Solfs werd vernietigd. Toch werd er een nieuwe datum gepland en wel 27 april. Doch op 23 april werden Hanna Solf en haar dochter Lagi, Gräfin von Ballestrem samen met andere gevangenen vrijgelaten. De Russen waren Berlijn binnegetrokken, wat tot grote onrust leidde onder de nog aanwezige Nazi’s. Hoewel Goebbels direct weer bevel gaf tot hun arrestaties, bleven ze vrij. Kort na de oorlog werd Hanna opgeroepen om te getuigen tegen de Gestapo en het ministerie van Justitie.

Hanna Solf als getuige na de oorlog

Hanna Solf als getuige na de oorlog

Johanna Solf ging naar Engeland, waar ze introk bij haar zoon Hermann. Nadat ze haar zaken en vooral financiën weer enigszins op orde had, keerde ze terug naar Duitsland.   In 1954 overleed ze op 4 november in Starnberg, Bavaria. Haar dochter Lagi herenigde zich met haar man Hubert Graf Ballestrem, die als officier van de Wehrmacht in Berlijn leefde. Zij overleed op 4 december 1955 op de leeftijd van 46. Mogelijk als gevolg van haar gevangenschap.

Fragmenten uit “Denkschrift über meine Haft” Genève, 1947:

“Ik werd op 12 januari 1944 ‘s morgens vroeg gearresteerd in de woning van mijn zuster, Fräulein Dotti, waarheen ik drie weken eerder gevlucht was vanwege de bombardementen in Berlijn. Vier Gestapobeambten en twee forensische secretaressen drongen de kleine woning binnen. Ik durfde mij niet te bewegen en moest mij aankleden in de aanwezigheid van de twee vrouwelijke ambtenaren, terwijl de mensen van de SD de tweekamerwoning doorzochten. Na ongeveer een uur verklaarde commissaris Strübing (Hauptsturmführer) dat ik naar München naar het SS-hoofdkwartier afgevoerd werd en dat met het oog op gevaar van verduistering mijn zuster, haar huisgenote Frl.Richter en mijn dochter, die in het benedenhuis woonde, meegenomen werden.
In drie auto’s werden we door de Briennerstrasse naar München gebracht, waar ik meteen aan een vijf uur durend verhoor onderworpen werd. In de namiddag werd daarmee doorgegaan. Het onderkomen was volledig provisorisch en onwaardig, vijf personen in een soort voorraadkamer zonder vensters naar buiten. De ondervragingen waren eerst betrekking op mijn vriendenkring, later echter hoofdzakelijk op een bijeenkomst bij Frl.von Thadden in september 1943, waar een Gestapo-agent zich door middel van een brief van een vriendin van onze gastvrouw binnen gekomen was. Het ging om de beruchte Dr.Paul Reckzeh, die als zogenaamde V-mann ongeveer 50 mensen op deze wijze aangewezen had en hen tot ondergang werd.[…..]

Na drie weken werd alles verscherpt en werden we naar het concentratiekamp Ravensbrück gebracht, waar intussen Otto Kiep en zijn vrouw, Frl.Kurowsky en meneer van Scherpenberg heen gebracht waren. Ik vond bovendien de vrienden van mijn kring terug, die al een half jaar geleden gearresteerd waren: Kuenzer, Graf Albrecht Bernstorff. Twee maanden later kwam ook mijn dochter hier terecht.

De verhoren werden steeds zwaarder door dagelijkse bedreigingen. ’s Nachts werd vaak gecontroleerd, ieder half uur het licht aan gestoken daardoor ondervond men nog minder slaap dan anders. Bijna al mijn vrienden werden ernstig gefolterd en ook onbekenden, wiens geschreeuw men uit de kelders hoorden. Zelf kreeg ik drie weken lang hongerdieet, daar boven op ’s avonds een slaapmiddel en werd vervolgens een uur later gewekt, moest me dan snel aankleden en werd vervolgens de hele nacht met voortdurende dreigingen verhoord, tot ik om 7 uur ’s morgens machteloos instortte.Het ging hoofdzakelijk om uitspraken tegen de anderen, om bijeenkomsten, die bij mij plaats gevonden hadden en om besprekingen allerlei onderwerpen. Beledigingen, bedreigingen, verdraaiingen van wat men gezegd had, maakten de verhoren tot een ware kwelling.[…..]

Toen kwam de 20ste juli en daarmee een nieuwe fase van woede van de Gestapo en de kwelling voor ons. Ik kwam in één van de noordcellen in de kelder op een strozak en platform, evenzo mijn vrienden Kuenzer, Bernstorff, Peschel en anderen. Na ongeveer tien dagen werd mijn deur open gedaan, ik zou vervoerd gaan worden, waarheen wilde niemand mij zeggen. Dat was één van de hoofdmiddelen om een mens murw te maken: intimidatie, bedreiging, de betrokkene iets aan te doen, in het ongewisse laten en door minder voedsel ons psychisch en fysiek te ondermijnen en dan tot bekentenissen te dwingen.

Na drie weken in de Moabitgevangenis, waar men door het merendeel van de beambten lastig gevallen en vernederd werd, kwam ik, omdat men eerst met de aangeklaagden van de 20ste juli afrekenen wilde, in het tuchthuis van Kottbus terecht. Om 05.45 moesten we opstaan, wat in het late jaargetijde kou en vroege duisternis betekende en de hele dag werken: uniformknopen aanzetten. Talloze politieke gevangenen, die nog in het vooronderzoek zaten, bevonden zich daarnaast de reeds veroordeelden. Jonge vrouwen en meisjes, oude vrouwen, alle standen, alle opleidingsniveaus waren vertegenwoordigd, ze voelden eenvoudig dat er iets was om te verdedigen, dat stond boven het vaderland en geografische grenzen: Humaniteit, Christendom en Recht. Niemand gaf toe, allen droegen het zware lot. Juist onder de vrouwen was het wonderbare voorbeeld van moed en kracht te ervaren. Ik geloof dat de geestelijken van beide belijdenissen daarvan getuigenissen konden geven, hoe rustig en moedig ze bijna allemaal hun laatste gang gegaan zijn. De behandeling was over het algemeen niet goed, want men ondervond voortdurend beledigingen. Ik moet echter toch in het bijzonder diegenen nageven, die ondanks de vreselijke terreur, die ook de beambten ondervonden, moedig de aan ons bekende en grote gevaren op zich namen, om ons lot te verlichten. Dat was in het tuchthuis Postbus als eerste Hauptwachtmeisterin Küssner en de Hilfswachtmeisterin Krüger evenals de vrouw van de pastoor. Ze hebben allemaal grote morele moed getoond. Frl.Krüger heeft, omdat ze tolk was, zeer bijzonder verdienstelijk gemaakt voor de 300 ter dood veroordeelde Françaises, die in 1944 naar Ravensbrück gevoerd werden. Ook tegenover 5 ter dood veroordeelde Hollandse vrouwen, die genade ontvangen hadden en daar verbleven.

Wat we aan menselijk leed zagen, hoe zieken behandeld werden, kan men niet beschrijven. De samenwerking tussen alle nationaliteiten was voorbeeldig, want we voelden ons verplicht de buitenlanders hulp te bieden, al was die nog zo klein, terwijl er slechts een woord van sympathie was. En ze wisten dat we om dezelfde zaak geleden en gestreden hadden: de bevrijding van een terreurregime. […..]

Allen namen hun zware noodlot waardig op zich. Aangezien ik in een jaar 9 keer heen en weer vervoerd werd, heb ik door die wisseling van gevangenissen zeer vele verschillende vrouwen leren kennen en kan ik beoordelen, hoe oneindig velen stand hielden tegen het Naziterreur. Mijn proces werd vastgesteld op 5 februari 1945. Op 3 februari vond er één van de zwaarste [bom-]aanvallen op Berlijn plaats. Niets werd ons verteld, maar een gevangene, die uit het mannenhuis kwam, die ons vrouwen vaak berichten van buiten bracht, fluisterde mij in het voorbijgaan toe:”Freisler is dood! Geen Volksgericht meer!” [……]

Op 20 april waren alle rechters en medewerkers van het gerechtshof gevlucht. Op 23 april vroeg werd mij nog door de Chef van de Moabitgevangenis meegedeeld dat er geen reden was om ons vrij te laten. ’s Avonds gelukte het echter door gedecideerd ingrijpen van Dr. E.L. Heuss, Frau Elsass, wiens man zonder gericht vermoord was omdat hij een vriend van Goerdeler was, met dochter en mij met mijn dochter, met een overrompeling uit de gevangenis te halen. Dr.Heuss had de laatste nog aanwezige ambtenaar van Justitie, Min. Dirigent Herr, die in de gevangenis rondzwierf om brood te bedelen, de toestemming afgedwongen, ons vrij te laten. Een uur later hoorde Goebbels daarvan, hij was Reichsverteidingungskomissar, die weliswaar mee eens was dat de criminelen vrijgelaten werden, maar niet de politieke gevangen, omdat zij “onrust” in de bevolking veroorzaken konden. In de chaos van de straatgevechten, de bommen en granaten kon men ons niet meer vinden.
Diezelfde actie die de moedige Dr. Heuss in de mannengevangenis wilde uitvoeren om alle vrienden te redden, die in nauwere of minder nauwe betrekkingen met ons stonden, lukte niet meer. Diezelfde nacht werden ze bijna allemaal door een nekschot “uit de weg geruimd”.

Bronnen:

-Schad, Martha -Vrouwen tegen Hitler; De Fontein, 2003

www.arenberg-info.de/htm/solf.htm
www.gdwberlin.de/
www.arenberg-info.de/htm/Denkschrift-J-S.htm